<p>Antoon te Brake trots op zijn decoraties en baret, met de landkaart van voormalig Nederlands Nieuw Guinea. Foto: Henri Walterbos</p>

Antoon te Brake trots op zijn decoraties en baret, met de landkaart van voormalig Nederlands Nieuw Guinea. Foto: Henri Walterbos

Antoon te Brake (81) was marinier in Nederlands Nieuw Guinea

LICHTENVOORDE - Hij heeft zich goed voorbereid op het gesprek. Foto’s opgezocht maar ook herinneringen opgerakeld, waarvan zijn vrouw Marijke na afloop zegt als Antoon zijn baret en jasje ophaalt voor de foto. “Zo veel heeft ie nog nooit verteld. Hij heeft er nooit veel over willen praten.”

Door Henri Walterbos

Keuring
“In 1957 kreeg ik bericht dat ik naar de militaire keuring moest. Daar vroegen ze waar ik bij wilde. Ik koos voor marine want ik hou van water. Ik was op dat moment deels werkzaam bij een baas en in de schoenmakerij van mijn vader. Ik wilde schoenmaker worden. Dat was mijn lust en mijn leven. Ik zat als klein kind altijd al bij mijn vader op de werkbank. Als mijn moeder me kwijt was, wist ze waar ze moest kijken.” Antoon werd goedgekeurd voor marinier en moest op 6 januari 1959 aantreden in Doorn. “Vreselijk koud was het toen, ‘het vroor dat ’t knapte’. Moesten we bij de munitiebunker al wachtlopen, hindernisbanen nemen. Zo wordt je langzaamaan klaargestoomd en werd ik uitgezonden naar Nieuw Guinea.” Dat er kans op uitzending in zat, wist Antoon voorafgaande aan de keuring niet. “Nee, helemoal neet. Het heeft er misschien mee te maken dat ik een goede conditie had. Ik rookte niet en was een sportman. Moesten we naar Amersfoort naar dat grote zwembad om te kijken of we zwemmen konden. De helft viel af, die konden niet zwemmen. Ik wal, as ne dolfijn. Dan hebt ze drek in de gaten, den is d’r wal geschikt veur.”

‘Anstrengend’
Antoon doorliep in zijn geheel de zware, drie maanden durende mariniersopleiding. Na zijn goedkeuring werd hij direct uitgezonden. Tot dat moment wist hij helemaal niets van de oorlog aan de andere kant van de wereld. Nederlands-Nieuw-Guinea, nu de provincies Papoea (Pulau Irian) en West-Papoea (Papua Barat) van Indonesië, was van 1949 tot 1962 een overzees gebiedsdeel van het Koninkrijk der Nederlanden als deel van het eiland Nieuw-Guinea. “Er was iets gaande vanaf 1950 dat een deel van Nieuw Guinea Nederlands werd. Het was vooral afwachten. ‘Jullie zullen vanzelf wel zien wat er gebeurt.’ Het was toch wel ‘anstrengend’ heur, dat mo’k eerlijk zeggen.’ Heel veel jongens zagen het helemaal niet zitten. Het was een echte oorlog. We moesten heel goed oppassen. Gecamoufleerd kwamen we binnen bij kampongs waar de mensen naakt liepen. Mannen hadden alleen maar een peniskoker voor. Die mensen hadden nog nooit een blanke man gezien. Soms moest je met een hakmes door de bushbush om je een weg te banen naar andere kampongs. Het is wel een heftig stuk van mijn leven geweest,” bekent Antoon.

Zijn uitzending duurde 16 maanden. "Je zat daar recht boven de evenaar. Een verschrikkelijke hitte. Terwijl die mensen daar naakt liepen, zaten wij tot zover in de kleding", legt Antoon een hand onder zijn kin. "Je kon daar malaria oplopen, er waren muskieten en slangen. Het hele huis had je bij je op de rug. Als je dan 's avonds in die bushbush was, sliep je daar op een paar takken die je daar neerlegde, een zeil over je hoofd heen en dan slapen. Je moest altijd je eigen slaapplaats voor elkaar maken. Dat was echt niet mis hoor. ‘Miene vrouwe zeg altied ‘doar he'j 't van in de rugge ekrege',” doelend op de rugpijn die Antoon zijn leven lang had.

'Gecamoufleerd kwamen
we bij de
kampongs
waar de
mensen naakt
liepen, ze
hadden nog
nooit een
blanke gezien'


Monokwari
“Ik koos als plek voor Manokwari. Iedere 3 maand kwam er een nieuwe lichting waar je mee op patrouille ging. We waren altijd met een man of 40. We moesten zorgen dat we de taal een beetje leerden, zodat we ons verstaanbaar konden maken bij de Papoeaas. Die waren altijd ontzettend blij dat wij er waren om hun te beschermen. We mochten soms in de school of in het kerkje slapen. Het verblijf daar heeft me wel gevormd. Ik heb er later met mijn bedrijf veel aan gehad. Doorzetten en niet opgeven. Ik kan het iedereen aanraden, dat als je niet weet wat je wilt worden, wordt marinier. Dan kom je er wel.”

“Het was er niet altijd even gemakkelijk,” gaat Antoon verder. “Het mooie was wel dat je een hechte groep wordt, ondanks dat er etterballen tussen zitten ‘wee’j wal könt scheeten’. Hagenezen, Groningers, Limburgers, overal kwamen ze vandaan. De een was timmerman, weer een ander automonteur. Dan zit je in zo’n bushbush, dan moet je elkaar accepteren, van elkaar op aan kunnen. Je krijgt na een periode dan echte kameraadschap, omdat je elkaar nodig hebt. Vandaar dat al die veteranen nog steeds contact met elkaar hebben, hun ei kwijt willen over wat ze allemaal meegemaakt hebben.”

Verkering
Bang voor zijn eigen leven is hij nooit geweest. “Toen ik weg ging heb ik wel tegen Marijke gezegd, want we hadden al verkering, ‘Wat zullen we doen? Zullen we de verkering uitmaken want ik weet niet of ik terug kom en hoe het zal gaan. We wisten nergens van. Ik had nog nooit een vliegtuig aan de grond gezien en ineens ga je met een DC 7 de lucht in. Met de KLM vlogen we over de Noordpool ‘Da’s een dood spul heur. Alleen moar ies’. En dan ben je een uur aan het vliegen, valt de motor uit. Hebben we een noodlanding gemaakt in Zweden en daar anderhalve dag moeten wachten. Vandaaruit vlogen we door naar Tokio om te tanken. Hebben we daar nog even rond mogen kijken, zijn we in zo’n groot warenhuis geweest. Het was allemaal al zo elektronisch daar. We wisten niet wat we zagen. Van Tokio zijn we naar Biak gevlogen. Daar moesten we onze burgerkleding uitdoen, want je mocht boven territoriale wateren niet vliegen met een soldatenpak aan. Kregen we daar onze kleding aan en begon ons leven daar.”

Kampongs
“We gingen van de ene kampong naar de andere heen om de mensen daar te bewaken. Ik heb ook gevechten meegemaakt maar ik ben blij dat ik er nooit eentje heb dood hoeven te schieten. Ik heb misschien wel een engel meegehad. Er zijn in de tijd dat ik daar zat 33 mensen van ons mariniers overleden. In Nederland wisten de mensen meer dan dat wij wisten. Wij zaten in de bushbush met iemand bij ons van de verbindingen, die in contact stond met het hoofdgebouw in Hollandia. Ik had nummer 109615. Als mij wat overkomen was dan was dat nummer overleden. Alleen als we in de kazerne kwamen, was het een pilsje drinken met elkaar, hadden we een beetje ontspanning. Dat had je ook echt nodig. Zongen we daar ‘En we gaan nog niet naar huis.’ Ik zat ook nog in het militaire team waarmee we regelmatig voetbalden tegen Papoeaas. Dat vonden we eigenlijk best wel zielig, want wij hadden voetbalschoenen aan en zij speelden op blote voeten. ‘Moar, ik zal ’t oe vertellen. Dat ging d’r op. Dee leu hadden nans gin schrik veur,” lacht Antoon. “Als we op weg waren naar Kampongs gingen er altijd een paar mee om spullen te dragen van de verbinding, ‘lepen ze ok in de blote kont met’. We konden een beetje Maleisisch. Zo hadden we een beetje contact met de mensen daar. Ik rookte niet. Als ik dan wat kreeg vanuit het leger gaf ik dat aan die mensen, want roken kenden ze wel. Ik was dan ‘sorbat, sorbat,’ een vriend,” lacht Antoon. “Het waren hele dankbare mensen. We hebben op die manier ook wel leuke dingen meegemaakt. Eten was er voldoende. Hier ga je naar de supermarkt maar daar hebben de mensen niets nodig. Alles groeit daar buiten.”

Kom Lichtenvoordsen tegen
Iedere kampong had zijn eigen hoofd. Kom ik daar een keer in een kampong zie ik daar een blonde man staan. Ik zeg ‘woar kom ie vandan?’ ‘Ik kom uut Lichtenvoorde,’ zeg hee. Ik zeg ‘dat meen ie neet.’ Was hij van Wekking, van de melkboer, an de Schatbergstroate. A’j noar huus goat wil ie mien va en mo dan de groeten doon?’, vroog hee. Daar ben ik toen nog heen gegaan toen ik weer terug was. Hij woonde officieel in Limburg, maar was leraar in die kampong. Dan is de wereld ineens toch wel heel erg klein. Dan weet je niet wat je voelt als je iemand uit je eigen plaats daar treft. Toen ik een keer van de patrouille terug kwam in Manokwari, staat daar ineens Harrie Bleumink uit Lichtenvoorde. ‘Ie hier Harrie?’ Moest hij daar wachtlopen bij de poort. Hij was een soort van kleermaker in de kazerne. Hij moest ook wachtlopen. Heb ik nog een paar keer een pilsje met hem gedronken. Daarna ben ik weer verder gegaan.”

Veel geleerd
Na terugkeer in Nederland ging Antoon voor nazorg naar een legerdokter. “Die vroeg hoe het met je ging, kreeg je je geld wat je verdiend had en een bedankje van de generaal voor bewezen diensten. Veertien dagen later moesten we in Doorn komen, werden we daar gehuldigd.” Hij draagt zijn decoratie nog steeds met trots. “Ik heb er drie en draag ze altijd op de jas. En ik heb een speciale baret gekregen.” Antoon leerde veel gedurende zijn uitzending. “Ik heb altijd geleerd, laat iedereen in zijn waarde. Ieder mens is anders. Dat heb ik van daaruit meegenomen bij mij de winkel in. Als iemand je een hand geeft dan kun je al voelen wat voor persoon het is. Aan de voeten van mensen kon ik dat ook zien. De voeten staan met hierboven in verbinding,” wijst Antoon naar zijn hoofd.

'Er zijn er
genoeg
die heel
wat meegemaakt
hebben en
er de
mond over
dichthouden'


4/5 mei
Antoon hecht veel waarde aan de 4/5 mei viering. Jarenlang was hij erewacht bij de dodenherdenking in Lichtenvoorde. “Ik denk echter dat de oorlog die mijn vader en moeder hebben meegemaakt erger is geweest dan ik meegemaakt heb. Ik kan er steeds makkelijker een streep onder zetten. Je hebt allemaal een leeftijd inmiddels dat je steeds meer genoeg aan je zelf hebt. Ik heb een paar jaar geleden een keer een hersenbloeding gehad, dus ik moet mezelf een beetje rustig houden. Het raakt me nog wel steeds, wordt er nog wel eens emotioneel van. We hadden contact met thuis middels brieven. Het was fantastisch dat ik dan een brief van Marijke of mijn vader of moeder kreeg. In de zaal waar je sliep schreef je dan terug.” Heimwee kende Antoon vooral met Kerst. “Dat was heel zwaar.” Direct wordt hij emotioneel. “Eigenlijk stond er nooit iets bijzonders in die brieven. Na terugkomst hebben we allebei de brieven verbrand. Dat hadden we nooit moeten doen.”

Schoenmaker
“Toen ik thuis kwam was het direct studeren om schoenmaker te worden. Er werd helemaal niet gevraagd ‘hoo is ’t ewest?’ “Maar jullie mochten ook niets zeggen,” vult Marijke aan. “Dat klopt,” bevestigt Antoon. “We moesten de mond dicht houden. Er zijn er genoeg die heel wat meegemaakt hebben en er de mond over dichthouden.” Antoon vond ook de rust bij zijn Marijke. “Al die maanden heb ik altijd gewacht, nooit met een andere jongen uit geweest,” kijkt Marijke nog net als toen naar haar Antoon.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden