Dweilorkesten

Dweilorkesten

Goh, wat verlang ik naar dweilorkesten, beste Grollenaren. Normaliter is Hemelvaart de dag waarop hier in dit unieke stadje vele tientallen orkesten van naam en faam - ik herhaal van naam en faam - de veste overspoelen. Op die dag sta ik dan al vroeg in de morgen klaar om de eerste glimpen van de muzikanten op te vangen. Ze komen meestal met een bus, sommigen nog wat dromerig van de dag ervoor of van de nacht ervoor, en ze gaan dan een beetje ‘inspelen’. Dat gaat niet gelijk goed omdat ze moeten inspelen zoals ik al zei, let dan ook beter op. Maar na enig geroffel en gehannes met het licht onwillige instrument en een eerste pilsje zie je het talent groeien, sterker nog: je hoort het groeien. Je ziet dat de muzikant en het instrument beter met elkaar omgaan, beter op elkaar ingespeeld raken waardoor zowel het geluid, de klank, het instrument als de muzikant zelf beter worden. “Hij begint er zin in te krijgen’ hoorde ik ooit een muzikante roepen en ik begreep meteen dat ze haar saxofoon als een vriend beschouwde, een trouwe metgezel waarbij het goed toeven is.

Van alles wat je in deze coronatijd mist, mis ik de dweilorkesten wel het meest. Ik ben ook niet iemand met een uitgekiend gevoel voor datgene wat de deskundigen cultureel hoogstaande en klassieke muziek noemen. Eenvoudigweg omdat ik er te eenvoudig voor ben, zo eenvoudig is het. Bij ons in de familie heb je op muziekgebied twee stromingen; op politiek gebied nog meer, maar daar gaat het nu niet om Torenwachter! Ik heb familieleden die wel heel erg veel weten van klassieke muziek, zeggen ze overigens zelf. En ik doe dan altijd extra mijn best om te laten doorschemeren dat ik er helemaal maar dan ook helemaal niks van begrijp, zodat hun ster nog verder kan flonkeren. Een kinderhand is gauw gevuld.

Het hele jaar door - ongeacht corona - moet ik luisteren naar klassieke muziek en eindeloze uiteenzettingen aanhoren over componisten van wereldnaam en wat ze allemaal hebben betekend. De meesten zijn trouwens dood, maar dat belet hen niet toch steeds erg dwingend aanwezig te zijn.

Maar heel af en toe is er een kans voor het gewone muzikale werk, mijn muzikale wereld dus en daarin vervullen dweilorkesten een grote rol. Jaarlijks komen ze hier optreden. Er zijn twee klassen, de leutklasse en de serieuze klasse, hoewel daar de leut ook duidelijk de boventoon voert. Die dweilorkesten hebben ook namen waarmee ik als gewone man lekker uit de voeten kan. Zo heb je in het nabijgelegen Beltrum de muzikale formatie Valse Loch; dat is een hele mooie naan en ze hebben trouwens naast valse loch ook vaak heel goede lucht, want ze zijn naar ik meen al enkele keren kampioen geworden, Dan köj wal bloazen. Precies.

Valse Loch is ook een naam die een zekere nederigheid in zich bergt, maar ze kunnen ook tot grote hoogte komen.

Prachtige namen zijn er veel, zo herinner ik me bijvoorbeeld de ‘als je maar bekend band’. Dat is niet alleen lekkere leutmuziek die ze maken, het is ook op taalgebied genieten en dat allemaal in één band. Je krijgt het er gratis bij.

Over gratis gesproken. Gewoon komen, genieten, doem op de knippe want er wordt geen entree geheven. Geld over dus voor een sapje en een hapje. En dat moeten wij dus nu allemaal weer missen.

Toch ga ik op Hemelvaartsdag ‘s morgens op tijd naar buiten om te kijken of er toch nog stiekem een band is.

Om de ‘band’ met Groenlo te bewaren.


Torenwachter

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden