Columns

Oerend Smart | Sneeuw, mens, dier

  Column

De sneeuwdeken die over het landschap ligt terwijl ik dit schrijf, brengt stad en platteland nader tot elkaar, doet grenzen vervagen. Ook heden en verleden worden verbonden: in het park achter de middelbare scholen bekogelen jongens elkaar met sneeuwballen zoals jongens dat in de zestiende eeuw al deden.
En zoals ik dat, korter geleden, deed met mijn inmiddels uit het oog verloren schoolkameraden in een andere stad, ver weg van hier.

Vandaag voelt het dichtbij. Ik zou de jongens bijna toeroepen: Hé Johan! Hé Johnny! Hé Cock! Maar ik denk niet dat er tegenwoordig nog jongens zijn die Cock heten.
Een man en een hond komen aangewandeld en een van de schoolkameraden, tweedeklassers schat ik, roept: Even stoppen met gooien! Zodra man en hond zijn gepasseerd, wordt het sneeuwbalspel voortgezet. In het groepje zit blijkbaar een scholier die over natuurlijk leiderschap beschikt, denk ik bij mezelf. Voorbeeldig.

De man beweegt zich behoedzaam over de platgetrapte sneeuw, de aangelijnde hond wil liever snel. In deze weersomstandigheden maakt de hond de indruk de leider te zijn. De natuurlijke leider, wel te verstaan, want de man vindt het zo te zien oké.

Hij groet de jongens vrolijk en ze moeten allemaal lachen om de niet zo voorbeeldige viervoeter. Wanneer honden sneeuw zien, zijn ze niet meer te houden. Zelfs overdreven brave schoothondjes vergeten dat ze in wezen extreem zijn gedomesticeerd. De sneeuw brengt de wolf in hen naar buiten.
In mijn stadstuintje – de kleine omvang verraadt dat dit niet het buitengebied is, ondanks het verhullende sneeuwtapijt – duikt een ander zoogdier op, een bosmuis. Ze komt op het vogelvoer af dat ik op het sneeuwvrij geveegde pad heb gestrooid en vreest de strengheid van de winter niet, daar maakt ze juist handig gebruik van: bij onraad vlucht ze de sneeuwlaag in, ogenblikkelijk onzichtbaar, als in een muizenhol. Ook muizen zijn sneeuwliefhebbers. Hun vijanden, de uilen, minder. In sneeuwrijke winters hebben kerkuilen het zwaar omdat ze hun belangrijkste prooidier, de veldmuis, nergens kunnen zien of horen. Sneeuw dempt alles.

Een groepje mezen dient zich aan, ook al vrolijk, niet vanwege de sneeuw, maar vanwege het voer, vermoed ik – al is dat wellicht te menselijk gedacht. Anderzijds, zoveel verschilt ons dna nou ook weer niet van vogel-dna. Zo hebben koolmezen net als wij elk hun eigen karakter. Dat is onderzocht door biologen. Je hebt de verlegen koolmees, de brutale, de slimme…

Ze zijn met z'n vijven. Haantje de voorste neemt een duik naar de voedertafel. Is het de verlegen koolmees? (Verlegenheid sluit dapperheid niet uit). Of de slimme, die doorheeft dat er niet héél veel zonnepitten liggen? Ik houd het toch op de brutale.

En zit er een natuurlijke leider in het groepje, een primus inter pares? Het valt uit hun speelse gedrag vandaag niet op te maken.
Eentje heeft er met z'n snavel diep in de sneeuw gezeten, die is helemaal wit. Wil hij een sneeuwgevecht aangaan met z'n kameraden?
O nee, dat is echt al te menselijk gedacht… Maar het gaat vanzelf. Sneeuw brengt mens en dier nader tot elkaar.

In de columns van journalist Sander Grootendorst staan mens en natuur centraal

Meer berichten