
De zomer van mijn leven
Opinie Columns“Als ik binnenkort dood ga heb ik een kutleven gehad en dan is dat JULLIE SCHULD!”
Ik zat op de trap in de hal en ik stompte met mijn vuist op de ruwe Jabo- traploper. Mijn betraande vijftienjarige hoofd leunde dramatisch tegen de witte spijlen. Zus van zeventien zat een paar treden lager. “Maar waaróm wil je dan met dat circus mee?” vroeg ze.
“En nú wil ik er geen wóórd meer over horen!” riep mama vanuit de keuken.
Sinds de eerste dag van de zomervakantie stond Zirkus Wedrano op het grasveldje bij de Mariakerk -de voormalige Bron aan de Buitenschans. Een klein circus van de Duits sprekende Hongaarse familie Weber, met struise dochters die namen hadden als Hannelore en Manuela. En een appetijtelijke zoon: Bolangi, clown en acrobaat. Zusje van dertien, een vriendinnetje en ik hadden ze al een paar dagen geholpen. We hadden de pony’s geroskamd, water gehaald voor de aapjes, en met een brandslang de kameel gewassen. Tussen de middag mochten we mee warm eten. Kennelijk waren we goede hulpjes, want de ouders van Bolangi, Wolfgang en Sofia, hadden gevraagd of we een paar weken mee wilden trekken door de Achterhoek in een kleine caravan die toch leeg stond. Wij hadden vanzelfsprekend al ‘ja natuurlijk’ gezegd.
Waarom ik mee wilde? Waarom ik mijn standaard Achterhoekse puber-leven wilde verruilen voor een avontuurlijk reizend bestaan? Met Bolangi? Waaróm?
Toen papa de volgende ochtend door het keukenraam naar de tuin stond te staren probeerde ik het nog een keer. “Nou,” antwoordde hij. “Anders gaan jullie er zo nu en dan op de fiets naartoe, heel af en toe, dat zou desnoods wel kunnen, eventueel. Als jullie dan maar vóór het donker thuis z….”
Ik stormde naar boven, trok de dekens van zusje, riep “HET MAG! We gaan gewoon elke dag fietsen! STA OP!”
Papa gaf ons een bandenplaksetje en kwartjes voor een telefooncel.
“Vandaag staan ze in Borculo. Daar kun je zwemmen in het Hambroek. Als alles klaar is rijden Bolangi en Zeppel ons! IN DE CIRCUSWAGEN!”
“Dat dondert allemaal niks,” zei papa. “Vóór het donker terug.”
Daar gingen we.
We hadden de zomer van ons leven. Vijf Achterhoekse en twee Duitse plaatsen deden ‘we’ aan. ‘s Morgens verzorgden we de dieren, ‘s middags mochten we mee zwemmen. De dames Weber gingen volledig gekleed te water in het Hambroek en het Hilgelo, en ze hadden veel bekijks. Bolangi was ongelooflijk sterk en gaf mij mijn gedroomde vleugels, hoog boven het water uit.
Mijn vijftienjarige leven was magisch geworden. Eindelijk.
Als de avondvoorstelling bijna begon kreeg ik een stomp van Bolangi en fietsten wij weer een kilometer of twintig naar huis.
’s Avonds in bed schreef ik gedichten.
‘s Nachts droomde ik.
Van het reizende bestaan.
Van mijn leven met hem, van zijn sterke armen.
En van de uitdrukking onder de clownsschmink toen hij vertelde dat de volgende stop Coesfeld zou zijn.
Veertig kilometer.
Dat was te ver fietsen.
En ik moest weer naar school.
Belachelijk.










