Afbeelding

Nietsdoen

Opinie

‘Wat wil ik werkelijk deze vakantie?’ vraag ik mezelf af op een ochtend. Ik zit met Abeltje op het bankje voor mijn huis, ik kijk eens naar mijn tuintje (ut geet) en naar dat van mijn buurmeisje (ooohhhh… zo fleurig) en ik denk: ‘Wat ik echt wil? Dit. En verder niets.’

Mijn fijnste vakanties bestonden feitelijk ook uit nietsdoen. Als kind in Zwitserland, in het minuscule dorpje waar we elke zomer een soort van thuiskwamen, en waar hoegenaamd niets te doen was behalve dat alles er anders was. We vermaakten ons met spelen, dingen verzinnen, luieren en om ons heen kijken. Een beetje als in “Samen op het eiland Zeekraai” van Astrid Lindgren.

Ook toen ik achttien was en mijn zusje zestien, en we voor het eerst alleen op vakantie mochten. We hadden er natuurlijk ook voor kunnen kiezen om ons als onmensen te gedragen in Albufeira, maar we kozen… datzelfde Zwitserse dorpje. “Hebben jullie kein Lust um een keer uit zu gehen in Luzern, ’s avonds?” vroeg Annie, de hotelbazin. (En nee, wij hadden geen kamer maar we mochten op de Liegeweide achter ’t hotel unser Zelt opzetten) “Marcello en Stefan (de hübsche Sohnen) gehen auch, ihr könnt gerust mit hun meerijden he!” Eh nou, nee, wij vermaakten ons eigenlijk prima.

Ze vond ons maar vreemde kinderen en dat is nooit meer helemaal goed gekomen, ‘daar word ik voor behandeld’ zullen we maar zeggen.

Natuurlijk ging ik met de partners die in mijn leven voorbij kwamen wel op vakantie. Gewoon zoals het hoort, keurig met volgepakte auto’s, broodjes en thermosflessen voor onderweg, fietsen bovenop vouwwagens en boodschappen doend in allerlei dorpjes om in de verzengende hitte je potje te koken naast in brand vliegende windschermen (binnenlanden van Joegoslavië), puffend naar boven sjokkend en met scheenbeenpijn weer omlaag (in de buurt van de Mont Blanc), aan het ontbijt in de ‘bed & breakfast’ de gore melk opdrinkend omdat de arme mensen van het Portugese boerendorpje die voor mij uit hun mond hadden gespaard (“ies good?” vroegen ze terwijl ze hongerig toekeken. “Joe laik?” “Jes Jes very goed!” bedankte ik ze zuur), met z’n tweeën in een éénpersoonsbed de minst vermoeiende standjes uitproberend in een kamer voor zeven gulden per nacht waar nóg vijf bedden stonden die elk moment bezet konden worden door andere toeristen (Kosovo), en piesend boven gaten in de grond waar voor twee jaar aan stront omheen lag (Griekenland).

Deze week las ik via De Correspondent een artikel van Tamar Stelling over Kaffeclubbeneiland; een uitgestorven grindhoop van een kilometer lang op vijf dagen vliegen vanaf IJsland en nog eens twee dagen sjouwen door Groenland. Aka Simonsen, archeoloog, vond daar op het hele eiland precies één levend wezentje. Een hermelijn. Ze noemde hem Randall.

Kaffeclubbeneiland. Dat lijkt me wel wat.

Randall, here I come!

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant