
Mantelzorgen
Opinie Columns“Ik trek geen fleece aan!”
Oktober 2007. Papa zit in zijn stoel. Hij kijkt de Buitenschans in. Zijn eigen huis, het is hem dierbaar. “Mijn huis past als mijn jas,” zegt hij. Dus hij blijft, ook al is hij nog zo ziek. Wij zorgen voor hem.
“Ik trek geen fleece aan! Ik heb mijn hele leven een wit overhemd gedragen. Ik ga dat niet veranderen.”
Papa heeft het koud. Hij valt af, gebruikt medicatie, heeft soms koorts. Dus gaat de verwarming op zevenentwintig. En voor zijn dochters, de hulp en de thuiszorg is dat na een paar weken hitte echt niet meer te doen…
Bij Hans Textiel in de Beltrumsestraat heb ik een keurig donkerblauw vest gekocht en ik probeer hem te overreden het aan te trekken.
Zijn hele leven heeft papa voor anderen gezorgd. En ge-mantelzorgd. Voor onze beide oma’s in de jaren zeventig en tachtig, en eind jaren negentig voor mama.
Wij hebben het weer van hem (en mama) geleerd. We hebben de strubbelingen meegemaakt toen de oma’s bij ons in huis waren. De ene oma vond het fijn bij ons. De andere oma had haar hele leven gereisd, en zij had wat meer last van het feit dat ze zich aan moest passen.
Dokter De Groen (kennen jullie hem nog, lieve Grollenaren? Met zijn uiterlijk van een Love Boat-kapitein en zijn bulderende bas die tot in de wachtkamer te horen was) leerde toen mijn ouders: “Denk erom, een zieke heeft rechten, maar een zieke heeft ook plichten!” Waarmee hij bedoelde te zeggen: zorg dat je als mantelzorger je eigen leven niet uit het oog verliest!”
En nu… Nu moest papa zijn fijne gewoontes -zijn erwtensoep maken, zijn wandelingetjes naar het kerkhof, zijn fietstochtjes naar Wun Tung voor een Nasi Groenlo… Nu moest hij al die dingen missen.
Ach, we begrepen hem zo goed. Hij was geen persoon om mantelzorgers om zich heen te hebben. Die ook nog eens vonden dat de verwarming lager gezet moest worden.
Dat mantelzorgen zwaar kan zijn bewijst voor mij dat er op dat moment, toen ik daar stond met dat vest in mijn hand, iets in mij brak. Het was te veel. Ik kon niet meer. Ik was op. Ik wilde naar huis, terug naar Zuid-Limburg.
“Hier!” riep ik. “Hier is je vest en vraag maar aan de buren of ze erwtensoep komen maken! Aju!” Ik smeet het vest op de tafel, gooide de voordeur dicht en reed weg. Bij de Radstake was ik weer rustig en ik draaide om.
Terug in de Buitenschans stak ik de sleutel in het slot. Ik liep naar de woonkamer. Daar zat papa. Tranen van onmacht, verdriet, wellicht ook ontroering stroomden over zijn donkerblauwe fleece.
“Dokter De Groen had gelijk hè?” zei hij tegen de voortuin. Toen keek hij mij aan. “Best een mooi vest trouwens.
En lekker warm.”










