Afscheid

Lange tijd wist ik niet wat ik erger vond: Afscheid nemen van een mens of afscheid nemen van mijn huis.

Acht jaar geleden overkwam het mij tegelijkertijd: ik nam afscheid van mijn lieve man en zijn fantastische dochters, èn van mijn huis. Ik was echt niet gelukkig in Limburg en ik had geen idee hoe dat kwam. Tranen met tuiten huilde ik bij het laatste afscheid. Van mijn lieve en nog steeds goede vriend, maar dus ook van het gezellige sfeervolle huis waar we samen zoveel hadden meegemaakt. Dag lief huis, dag mooie tafel van de kringloop waar ik met engelengeduld -ja echt!- een wortelnoten blad onder vandaan had getoverd, dag mooie paadjes die manlief zo prachtig had aangelegd in onze heerlijke tuin, en dag mijn stoere fantastische stiefdochters die nu in Den Haag en in Kopenhagen wonen en al vele malen succesvoller zijn dan ik ooit zal zijn.

De afgelopen jaren kreeg ik antwoord op mijn vraag. De vergelijking huis-mens gaat volledig mank. Natuurlijk! Bruut afscheid moeten nemen doet pijn en je zou de rest van je leven met liefde in een donkere grot wonen als je daarmee je geliefde muzikale vriend van midden veertig of die ras optimist van twaalf, vriendin van vele Grollenaren met haar stralende gezicht en haar eeuwige optimisme terug kreeg.

Momenteel neem ik weer afscheid, dit keer weer van een huis. Mijn Buurman de Boekhandelaar is langzamerhand aan het stoppen met zijn winkel en ooit zal ik daarboven dus weg moeten. Daarom greep ik de kans die onlangs voorbij kwam - een heerlijk plekje in Beltrum - met beide handen aan.

En dus ontmantel ik. Alsof ik meerdere lagen kleding draag die ik één voor één uit moet trekken. Kastje voor kastje, rekje voor rekje en mandje voor mandje. Laag voor laag komen herinneringen voorbij en voel ik dat het afscheid nadert. Meestal probeer ik het weg te duwen en sjees ik als een Razende Roeland door mijn geliefde vertrekken. Sentiment kan ik nu niet gebruiken. En kom op zeg, het is maar een huis. Het zijn maar stenen. Het is geen mens.

Maar vandaag gebeurt het toch. Als ik de koelkastdeur ontdoe van alle ansichten, kattenbelletjes en andere herinneringen schiet ik vol. En ik laat het toe. Ik ga op de grond zitten in de bijna lege kamer. Ik kijk om me heen naar de blauwe muren. De glas-in-loodramen. Het bloemetjesplastic op de keukenkastjes. Dat ene gaatje in het zeil dat ik elke maand weer dicht plak met zwart tape. Die ene kring op het plafond in de vorm van een engeltje, veroorzaakt door de stuifsneeuw die afgelopen winter mijn zolder omtoverde in een winterlandschap. En de blauwe Zwödse buffetkast die te groot is voor mijn nieuwe achterkamer en waarvan Huub acht jaar geleden zei: “Nou, we hèbben hem naar boven gekregen maar vraag niet hoe! Hier staat hij en hier blijft hij staan. Totdat dit huis wordt afgebroken.”

Vandaag breek ik zelf een beetje.

Wat voor afscheid je ook moet nemen,
het went nooit.

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden