
Mirjam van Erp (derde van rechts) aan de slag bij de bouwers van Groep Wielderink. Eigen foto
‘Mijn eerste keer’: bloemen plakken voor ‘t corso
CultuurBELTRUM - Correspondent Mirjam van Erp doet verslag van ‘haar inburgering’ in Beltrum, tijdens corsotijd.
…En toen kwam de klusjesman met een bosje dahlia’s aan de deur en vroeg ik hem: “Hoe gaat dat eigenlijk in z’n werk als je mee wilt helpen bij een bloemencorso-wagen?” “Wil je komen helpen? O, nou, ik denk dat je bij onze groep gewoon aan mag sluiten!” De volgende dag al kwam het verlossende appje: “Je bent welkom bij onze groep, ze vinden het leuk als je aansluit.”
Waar ik dan moest zijn, vroeg ik. Nou, daar en daar staat een grote schuur, je ziet een paar grote grasbulten met zwarte zeilen erop en een boel autobanden, en daar achter staat de kapschuur. Daar zijn wij dan wel ergens.
Jaja, dacht ik… Maar het klopte. Ik zag een boel auto’s en fietsen staan, ik volgde het geluid van het harde tikken van de hogedruk niet apparaten. Uit de luidspreker hoorde ik muziek uit mijn middelbare schooltijd, midden jaren tachtig. “Dat is radio Festunique, die is vanaf vrijdag in de lucht.”
De schuur bevatte een keukentje (’onze kantine’ en: “Ja hoor, je kunt je tas hier gewoon ophangen. Er is hier nog nooit iets zoek geraakt, er komt eerder spul bij!”) een aantal steigers, ladders en tafels, gereedschappen, kratten drinken, koffiezetapparaten, eigengebakken cakes, zeker veertig mensen op de vrijdag, kratten met dahlia’s en natuurlijk de corsowagen in meerdere onderdelen. Ik zag mensen van anderhalf tot vijfentachtig en alles ertussenin.
“Ga maar naar die jongen met die krullen, ik geloof dat hij wel een werkje voor je heeft.” Dat was zo en ik mocht blokjes steenkool op de rand van het speelgoed plakken. We zaten met een man of acht behoorlijk dicht bij elkaar, de één deed zwarte kit op het blokje, de ander plakte het vast. “Heb je nog een spits stukje?” “Doe nu maar even een tijdje grote stukken want ik moet het vlak even opvullen.” We weten meteen van elkaar wat we bedoelen en toch is de één zestien en de ander zesenvijftig. Iedereen is hier gelijk en de jongeren zijn vaak ook nog slimmer dan de ouderen.
Hoe mooi is het als een dorp dit heeft. En als je dan mee mag doen. De tweede dag moest ik een schaar meebrengen. Ga daar maar zitten, zij weten wel wat je moet doen. We knipten de dikke hoekjes uit laurierbladeren, en toen de krat vol was moest alles toch opnieuw want de hele nerf moest eruit. “We hebben gemerkt dat de nerven kromtrekken na het lijmen, en dat vinden we jammer.” En we begonnen opnieuw. Niemand zeurde, iedereen vond het gezellig om bij elkaar aan de tafel te zitten en elkaar te spreken.
“Woon je misschien nog niet zo lang in Beltrum?” vroeg Ole van 8. “Ik geloof dat ik jou nog niet zo vaak heb gezien.” We praatten over vakanties, over vriendschappen, over het verschil tussen het wonen in een dorp en een stad, en met een meneer die oorspronkelijk uit Scheveningen kwam en zijn vrouw praatte ik over het westen van het land.
Af en toe zag ik opeens dat de mensen naar het koffie apparaat liepen. “Ja, dat komt, dan haalt iemand de druk van de hoge druk - ringleiding, dan weten ze meteen dat het koffietijd is.” Die tangen zijn niet zonder gevaar overigens want er liepen ook een paar mensen met een verbandje om hun vinger omdat hun niet apparaat iets te fanatiek was geweest.
Ik moest naar het toilet. In een huis waar ik nog nooit was geweest, waar ik de rest van het jaar niet zal komen, en daar zie ik de spreuk op de kalender: “Als je zelf gelukkig bent, kun je anderen ook gelukkig maken.”
Gelukkig, dat ben ik. En hopelijk geef ik het door. Dankjewel groep Wielderink voor de gastvrijheid en tot volgend jaar!









