
Spiegel
Opinie ColumnsSpiegel
Carnaval komt naderbij, beste Grollenaren. Dat begint met enorme enthousiaste verhalen over bijna ongelooflijke gebeurtenissen die gaan plaatsvinden en die alle vorige edities van dit festijn ruimschoots zullen overstijgen. Nu is het al bijna carnaval en de verhalen worden daarom waar mogelijk nog enigszins opgeschroefd, hoewel de moeren al dolgedraaid zijn. Is dat nu erg dit soort verhalen? Helemaal niet want het eigenlijke carnaval doet je tegelijkertijd beseffen dat het een spel is dat moet worden gespeeld. Wie dat niet doorziet heeft aan carnaval eigenlijk niks; zonder de dubbele bodem is het niks anders dan veel ballonnen, serpentines, verkleedpartijen en hossende en drinkende mensen terwijl het bier toch al veel te duur is, zo zal de realist zeggen.
In deze tijd is het meer dan ooit van belang de betrekkelijkheid van de dingen in te zien. Onze samenleving ‘vertrut’ steeds neer. De ruimte om nog ergens iets van te vinden wordt bijna onmogelijk gemaakt door lawines aan protesten die ook nog eens zwaar worden aangezet en uitvergroot. Ik schreef onlangs dat ook cabaretiers daar hinder van ondervinden; het vrije woord staat onder druk. Waar is het gevoel voor betrekkelijkheid gebleven? Waarom kunnen we niet meer lachen om de ander, maar vooral ook om onszelf? Op dit punt aangekomen komt het carnaval weer in beeld. Het is een typisch festijn waar de maatschappij wordt bezien door een andere bril en waar met een schuin naar de werkelijkheid wordt aangekeken.
In het diepste wezen is carnaval eigenlijk een omkeringsritueel zoals dat zo fraai heet.
En het is precies dit punt waar we juist nu grote behoefte aan hebben. Wij hebben met carnaval prinsen en prinsessen, adjudanten, presidenten en vorsten en keurvorsten en al die mensen die die functies vervullen, spelen hun rol met verve. Zij spelen de prins of de prinses terwijl ze in het dagelijks leven als oom Juul of tante Annie een vreedzaam bestaan leiden en bovendien zorgen ze dat de termijnbetalingen aan de immer alerte bank op het juiste moment plaatsvinden en ook vergeten ze niet de verjaardag van tante Loes in het verre Zuid-Afrika.
En het narrenvolk zegt niet: daar heb je gewoon tante Annie of oom Juul en dee mot zich neet anstellen! Nee, die spelen het spel mee en zien ze als hun prins en prinses in hun tot residentie omgedoopt huis. Zijn die mensen nu helemaal gek geworden; zowel die prins en prinses als het narrenvolk? Het antwoord daarop gaf vele jaren geleden al een zuidelijk carnavalsfilosoof en die uitspraak heb ik van harte onthouden. Nee, zei hij; die mensen zijn juist wijs. Want alleen de wijze is in staat dwaas te doen; een zot ontbreekt dat vermogen. Toch een mooie opsteker voor tante Annie, oom Juul en alle carnavalisten.
Wat we met carnaval dus doen is eigenlijk een andere wereld scheppen. Een wereld die niet bestaat en je moet als carnavalist wel de nodige fantasie hebben om daaraan deel te nemen. Zo heeft een optocht met carnaval ook niet de pretentie om alleen maar mooi te zijn of verzorgd of goed qua kleur en vormgeving. Er is ook veel humor voor nodig, gevoel voor humor is ook zo’n onderdeel. Het geheel in een ander perspectief plaatsen met de zekerheid dat het binnenkort weer voorbij is.
Carnaval is van alle tijden; er zal altijd behoefte zijn aan deze vorm van milde (zelf)spot. Dat we dat heel hard nodig hebben in deze tijd is een feit. Ook al schreef de Gelderlander deze week dat het misschien te duur wordt.
Maar als we het niet vieren komt ons dat nog duur te staan.
Torenwachter










