
Ik wist het niet
Opinie ColumnsIk wist niet wat ik deed toen ik mijn gezin in gevaar bracht.
Ik had werkelijk geen idee. Ik deed maar wat. Nou ja, wat… Ik moest wel. Kijk, ik nam Joden op in mijn gezin. Joodse vluchtelingen. Ze konden nergens anders naartoe. Wat doe je dan? Je bent een mens. Een mens met een geweten. Het is niet anders, zo zitten mensen gewoon in elkaar. Toch? Dan staan ze daar, terwijl hun familie en vrienden bij bosjes worden afgevoerd. Daar kun je toch niet bij gaan staan kijken? Je kunt je hoofd afwenden. Nou, dat had ik best graag gedaan. Ik was heel graag gewoon doorgelopen met mijn kop diep in het zand. Dan had ik thuis al ons voedsel voor onszelf verstopt, de luiken dicht getimmerd om het gevaar buiten te houden, mijn vrouw en mijn zeven kinderen (de jongste net geboren) onder warme dekens toe gestopt en gewacht tot het gevaar geweken was. Dat had ik het allerliefste gedaan, maar ik kon het niet en ik denk niet dat ik mijzelf dan ooit nog in de spiegel had durven aankijken.
Dus ze kwamen. Onze Joodse huishoudster en haar gezin. Ze woonden bij ons, ze aten bij ons, ze werden een deel van ons gezin. En ik had geen idee… Het was het enige wat ik kon doen maar ik wist niet wat ik deed.
In tijden van nood leer je je vrienden en je buren kennen. Eén van de aardige buurmannen heeft me verraden. Waarschijnlijk voor geld, voor bonnen, voor eten, medicijnen… Waarschijnlijk wist ook hij niet meer wat hij moest doen. Waarschijnlijk was het ook voor hem een noodsprong. Ik weet het niet. Ze stonden in ieder geval op de stoep en de eerste keer wist ik nog te ontsnappen door het toiletraampje, via het dak. Achter de schoorsteen hield ik me twee dagen en nachten schuil. Daarna verhuisde ik naar het kippenhok van een aardige boer. Een ook hij wist op dat moment niet echt wat hij deed. Ook hij was maar een mens, een mens met een geweten…
Toen ik na een half jaar mijn vrouw en kinderen te zeer miste ben ik ze gaan opzoeken, en ook toen werd ik verraden. Wederom kwamen ze aan de deur. Ik mocht niet “…nog even gebruik maken van het toilet…” , daar trapten ze deze keer niet meer in.
De strafgevangenis in Apeldoorn werd mijn nieuwe thuis en de stank, de kou, de ziektes, de honger, de martelpijn en mijn dood door het vuurpeloton twee maanden voor de bevrijding… Ik vergeet ze nooit.
En nu…
Nu zit ik op mijn wolk in de hemel en ik zie hoe mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog altijd worstelen met het leven. Dat is deels mijn schuld en daar kom ik nooit meer vanaf. Mijn vrouw die verder moest met zeven kleine kinderen, de kinderen die verder moesten zonder vader, de woede over het feit dat die vader hun in de steek heeft gelaten, de gebeurtenissen in de jaren na de oorlog…
Lieve familie, het spijt me zo… Ik wist niet wat ik deed…
Maar ik zou het weer doen.
Uit liefde.










