
Woorden
OpinieHet waren prachtige woorden. Ze maakten me verlegen. De conclusie van de lofrede was dat ik een gedreven chaoot was met het hart op de juiste plek. Het waren oude, verstofte woorden die uit de vergetelheid waren gerukt door lieve collega’s die echt wat wilden maken van mijn 25-jarig jubileum. Ook een directe vakcollega vierde dit jubileum, dus in een Marianumversie van 2 voor 12 mochten wij, als kandidaten, proberen te raden van wie de woorden waren. Ik had geen idee.
25 jaar. In de overgangsfase tussen jong en oud ligt ergens een ondefinieerbaar moment waarop jeugdigheid plaatsmaakt voor het grotegrijzegeitenbreierschap. Dat moment ligt achter me. Ik gebruik inmiddels nachtcrème om het onvermijdelijke in een waas te hullen en ik kan niet langer beweren dat ik ongeveer op de helft van mijn carrière ben. Maar pas toen mijn halve bruto maandsalaris netto werd uitgekeerd, besefte ik het echt: ik word oud.
Een dag voor mijn jubileum was er een studiedag over artificiële intelligentie. Als je aansluiting bij de jeugd wilde houden, zei je eej aai en zeker geen aa ie, drukte de eerste spreekster ons met een legewoordenwaterval op het hart. En we moesten de digitale vooruitgang omarmen als voldongen feit, ook op school. Mijn gedachten dwaalden af. Hadden sociale media het laatste decennium niet juist gezorgd voor een aan dopaminekicks verslaafde generatie die bang was voor een beetje verveling en meer mentale problemen had dan ooit? En zorgde AI er niet in razend tempo voor dat geen leerling, geen mens, zelf nog íets uit het níets durfde te creëren? Werd ons niet het zand van de oneindige mogelijkheden in de ogen gestrooid? En kon je niet op je klompen aanvoelen dat de deceptie zou volgen als we het zand eruit hadden gewreven? Maar ja, wie was ik? Oud. Dat in ieder geval. Oudere collega’s bleken later op de dag dus dezelfde zorgen te hebben. Maar ook jonge collega’s, stagiaires die zich door hun studie eej-aai’den en van wie alle verslagen, alle zielloze woorden in perfecte taal uit computers rolden, voelden zich door AI minder competent.
De prachtige woorden bleken van een oud-collega. Hij had ze geschreven toen ik me al werkende een weg door mijn opleiding worstelde en ik voor mijn portfolio een collega moest vinden die wat aardigs wilde zeggen. Plotseling wist ik weer hoe diep zijn woorden me toen geraakt hadden. Jong, luid en onzeker als ik was, bleek ik gewaardeerd te worden. Een openbaring. Hij was de oudere collega, de Grote Grijze Geitenbreier, bij wie je altijd terecht kon, die altijd de vinger op de zere plek legde en de juiste woorden vond. Hij was ouder geworden maar zijn ogen stonden helder. Ik verontschuldigde me en bedankte hem weer voor de woorden die me nu, jaren later, zelfs harder raakten. ‘Ik meende elk woord’, zei hij. ‘Ze kwamen uit m’n hart.’
Ja, natuurlijk. Waaruit anders?










