
Goeie boeken, witte wieven en bijna halve liters
OpinieNa alle aanstellerige en oudemensenliteratuur die je op de middelbare school moest lezen, was het eindelijk tijd voor Stephen King. Verhalen met herfstkleuren in New England: een ontsnapping aan het saaie en volle Nederland. King mocht je niet lezen voor de lijst, ook niet in het Engels. Het was ‘geen literatuur’ volgens de seksloze leraar Nederlands, die steevast Reve, Mulisch en Hermans de ‘Grote Drie’ noemde. De grote drie waarin dan? In elk geval niet in het stimuleren van ombladeren, of het moest zijn om te kijken hoe lang deze saaie ellende nog duurde. King kon je fijn lezen in de bus, om alles buiten de altijd smerige ramen van de grote diesel en alles in je hoofd weg te duwen.
Ik dacht terug aan die eerste zomer na een keurig Marianum-diploma en vakantiewerk op het bekende vakantiepark in het tegenwoordige Oost Gelre.
We zaten zoals zo vaak met de vakantiewerkers rond twee uur ’s nachts aan de stamtafel in de kantine. Buiten werd het rustiger, de gasten slenterden terug naar hun standplaatsen en door een raam was een hevig zoenend stel te zien. “Horen die wel bij elkaar?” vroeg iemand. “Ik geloof het niet,” lachte de baas. “Als ze maar betalen.”
Ik keek uit op de twee klapdeuren tussen de kantine en de gang naar de toiletten. Hoe vaak zouden die deuren op een drukke zomerdag wel niet open en dicht klappen? Of nou ja, klappen... ze sloegen door naar beide kanten. Een halve liter Grolsch (waar nooit een halve liter in zat) en zinloze gedachten na een avond hard werken: daar werd je ook als twintigminner rustig van.
De rechterklapdeur ging langzaam open, bleef even zo staan en viel toen weer dicht. Het tochtte niet en er kon daar niemand zijn.
“Iemand deed de deur open,” zei ik. “Er kán daar niemand zijn,” zei de baas. “Dan deed iets de deur open,” antwoordde een collega.
Ik lees te veel King, dacht ik. Misschien geen literatuur, maar het werkt wel.
Op weg naar huis zag ik ze, terwijl ik langs de stapels boomstammen bij de houtzagerij fietste. De witte wieven. Maar die horen toch in Lochem ...










