'De Calixtus is een deel van mijn leven'

Vorige week had ik een toevallig gesprek met wat mensen die toevallig bij mij aan tafel zaten. Het gesprek kwam op de katholieke kerk: het misbruik, de Paus, de dingen die wel of niet mogen, op welke plaats in het gebouw de koren die er zingen wel of niet mogen staan en waarom dat wel of niet mag. De dingen die gezegd werden aan tafel klopten allemaal. Het waren feiten en het ene feit was lastiger te begrijpen dan het andere. De strekking leek echter bij mijn hele gezelschap identiek: "Aan zo'n instituut wil ik niet verbonden zijn."

Ik vertelde mijn visie.
Ik beschouw de Calixtusbasiliek als een trouwe metgezel in mijn leven. Zij was er vroeger. Toen ik jong was. Haar toren vertelde mij vanaf de keukentafel hoe laat het was. Haar klokken vertelden mij op zaterdagavond om tien voor zeven dat het tijd was om Judith, Mirjam en Sandra op te halen voor dansles. Ze was er toen vrienden trouwden. Toen kindjes werden gedoopt. Ze is er in mei als er één keer per jaar kinderen van acht in de kerk komen. Ze is er in februari als het ene jaar mijn zo geliefde Torenwachter en het andere jaar de door mij even zo gewaardeerde heer Ottink ons toespreekt. Ze is er met Kerst als ik wel eens denk: ach nee, laat ik dat maar niet hardop zeggen.

De Basiliek was lange tijd niet in mijn leven. Dat had praktische redenen - ik woonde te ver weg - maar ook geestelijke redenen: ik had een groot deel van mijn jeugd niet een afkeer van Jezus, maar wel een afkeer van het haast gedachteloos opdreunen van teksten als "door mijn schuld", waardoor ik als puber een keer hoogst verontwaardigd vóór het zingen, enfin.

Toen ging papa dood. Ik stond op het altaar - ik weet niet of dat nu nog mag, maar Hans Boogers vond het goed - ik zong dat papa nu niet meer hoefde te lijden en dat het altijd zo gezellig was in zijn keuken op vrijdagmiddag als hij vis fileerde van Reinaardus of erwtensoep maakte met worst van Theo van Swaay. Toen ik voor papa zong, scheen de zon door de glas-in-lood-ramen. Dat zal wel niet echt zo geweest zijn, maar ik herinner het me zo.

Sinds die dag, toevalligerwijze deze week precies 11 jaar geleden, houd ik van het gebouw. Van zijn bedoeling met mij, van het boek dat mij regelmatig op weg helpt en van zijn grondlegger die dingen deed op de manier die ik graag onder de knie wil krijgen. Maar daarvoor moet je erg sterk zijn, heb ik onlangs weer gemerkt.
Toen ik 6 jaar geleden terugkwam in Groenlo ging de Calixtuskerk als vanzelf weer deel uitmaken van mijn leven. En zo kwam ik ook in aanraking met de verhalen die dhr. De Jong en later dhr. Den Hartog daar elke week vertellen. Verhalen recht uit het hart, gestoeld op ervaringen, gebaseerd op verhalen uit de Bijbel, gelinkt aan de actualiteit en een beroep doend op ons gezonde verstand en op onze emotie. En altijd met humor.
Ik vertelde mijn toehoorders aan de tafel over de geweldige preken waarvoor ik elke zondag graag een uurtje eerder opsta. Dat ik er een week op kan teren. Dat ze mij aan het denken zetten en soms diep ontroeren. En toen vroeg iemand: "Maar wie is nou Herman de Jong?"

Vandaag (5 november) is er een extra editie verschenen van de Paulusbrief. Het is een verslag van een bijeenkomst waarin wordt vooruitgeblikt op de toekomst van de katholieke kerken in onze regio. Die toekomst is niet rooskleurig en dat begrijp ik best.

Met deze brief wil ik een hart onder de riem steken van alle mensen die de Calixtusbasiliek en alle andere kerken een warm hart toedragen en ik wil ons waarschuwen. In mijn ogen kan het niet zo zijn dat er dorpen of steden zijn waar je niet naar de mis kunt op zondag. Toch zijn die plaatsen er en het worden er meer. Tot het moment dat we zelfs de basiliek slechts nog kunnen bezoeken tijdens feesten en partijen met harde muziek en bitterballen. Ik houd mijn hart vast.

Mirjam van Erp, Groenlo

Meer berichten