Columns

Kijkjes van de Grolse stadstoren | Is Grol verdedigbaar?

De Torenwachter: is onze veste Grol nog wel verdedigbaar?

Ik zag vorige week een aflevering over de Tachtigjarige Oorlog met daarin Grolle en de veldslag hier die bekend staat onder de naam 'de Slag om Grolle', beste Grollenaren.

In het westen hadden ze toen eigenlijk helemaal geen belangstelling voor het oosten, wat de vraag oproept of er in 400 jaar eigenlijk wel iets is veranderd, nietwaar? Dankzij de inzet hier van wijlen Joep van der Pluijm en ook Godfried Nijs, die in de uitzending gelukkig veel aan het woord kwam, weten we dat het in dit gebied vaak kommer en kwel was. De kanonskogels vlogen je hier om de oren. De stad werd weliswaar met grachten, wallen, muren en poorten afgesloten, maar op de duur was dat niet vol te houden. Dat is eigenlijk nog zo, realiseerde ik me van de week toen mijn telefoon het plotseling niet meer deed. Een blijkbaar begenadigde verkoper van een of andere firma die iets wilde verkopen wat ik niet wilde, zwetste maar door. Indachtig ongetwijfeld zijn opleiding waarin er is gehamerd op het behalen van de doelstelling: net zo lang door zaniken tot de klant bakzeil haalt. De klant is onderkoning van je eigen koningschap. Zo is het maar net. Maar ineens was de stem van de man verdwenen; er was geronk, gepiep en gerochel op de telefoon. Ik dacht, zou de man wat onwel zijn geworden, was hij misschien door plotseling opkomende emoties overmand omdat het 'slachtoffer' uit Groenlo, zo'n onbenul, helemaal niet meewerkte?

De telefoon ging opnieuw; ik hoorde de man vaag alsof hij wanhopig trachtte vanuit een ver Afrikaans land me te bereiken. Af en toe klonk nog het woord 'bestellen' tot me door en 'bedenktijd', maar toen was zijn tijd wel verstreken. Het apparaat zweeg ineens in alle toonaarden.

Ik dacht eerst dat dit een mooi moment was de buitenwereld en alsmaar indringende telefoongesprekken op deze manier kordaat aan banden te leggen en het eindeloze indringen in de privésfeer te laten ophouden. Net als in de Tachtigjarige Oorlog. Maar ik had even buiten mijn familie gerekend. Die bleken ineens allemaal dingen te moeten doen waarbij telefoonapparaten onmisbare functies vervullen.

En ze zeiden ook: jij hebt dat ding kapot gemaakt, dus je moet het ook oplossen. Bij ons in de familie gaat de schuldvraag steeds verrassend snel mijn kant op.

En dus moest ik op pad voor een nieuw telefoonapparaat. Gezellig cafébezoek leek verder weg dan ooit. Ik had de oude apparatuur meegenomen naar een keurige Grolse zaak; deskundigen daar keken ernaar en zeiden: "den kriew neet meer an de proat". Het leek me geen zin die uit een pakkend vakjargon voortkwam, maar het voordeel was wel dat ik het volledig begreep. Maar van wat toen volgde begreep ik steeds minder. Handige vingers toverden allerlei futuristische apparatuur voor mijn ogen, bliksemsnel werden verbindingen gemaakt, alles aangeklikt en aangesloten. Verder even thuis aansluiten, fluitje van een cent en doet-ie het niet, dan even bellen. Ik begreep daaruit dat als dat ding het niet zou doen, ik zou bellen; maar dan kon ik toch niet bellen, dacht ik. En zou-ie het wel doen, dan hoefde ik niet te bellen. Kennelijk gingen ze ervan uit dat het bij mij thuis met andere telefoons bezaaid lag.

Ik ging met een bezwaard gemoed naar huis. Ik sloot 'alles aan' en toen gebeurde het wonder: alles functioneerde! Mijn familie was opgetogen over zoveel talent van mij dat tot nu toe onontdekt was gebleven. De hele wereld is weer bereikbaar en daarom is toch net als in de Tachtigjarige Oorlog: niet tegen te houden.


Torenwachter

Meer berichten