Columns

Uut 't Wald | Suker, soeker of sokker

Suker, soeker of sokker

In het kruidenrekje in mijn keuken staan, schat ik zo in, ongeveer twintig verschillende potjes met even zoveel verschillende kruiderijen.
In het kastje boven mijn aanrecht staan drie verschillende soorten zout, olie en azijn in diverse varianten en de diepvriezer bevat zeker vijf verschillende soorten groene kruiden. Mijn oma zou stijl achterover slaan van zo een weelde.
Vroeger kende men slechts een beperkt aantal smaakmakers. Allereerst was er natuurlijk de suiker. In de noordelijke Achterhoek suker genoemd, elders soeker of ook wel sokker. En natuurlijk was er zout. Of zolt, zoals ze in de Graafschap zeiden. Ook weer een verschil met de rest van de Achterhoek, waar men het over zalt had.
Het aantal kruiden (kruden of kruderieje) was beperkt. Maar peper (pepper, paeper) was in elke keuken wel te vinden. Net zo als kruidnagels (kruudnaegel of kroednagel). Een specerij die je trouwens ook buiten de keuken van pas kon komen. Als je die in de kerk tijdens de (vaak lange) preek een kruidnagel in je mond nam, bleef je geheid wakker.
Veel voorkomend was ook nootmuskaat, die nöttemuskaot, nöttebeschaot of beschaoten nötte werd genoemd. Die zat overigens niet in een zakje of potje. Grootmoeder werkte nog met hele muskaatnoten, die boven de gerechten werden geraspt. Dat raspen werd raspelen genoemd, maar ook wel rieven. Terwijl men het in Hengelo had over schrapen. Daarvoor had je natuurlijk een rasp nodig, een nöttemuskaotraspe. Die ook wel raspel, rieve of rief werd genoemd. En in Hengelo uiteraard schraper.

Meer berichten
 

Nieuwsoverzicht

Meer berichten