
Hoe verging het de Winterswijks vogels in 2025?
NatuurWINTERSWIJK - Imposant, zo mag je het jaaroverzicht van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek gerust noemen. Bijna vierhonderdpagina’s over het wel en wee van de vogels in Winterswijk, Aalten en Oost Gelre in 2025. Van winterkoning en zomertortel tot tuinfluiter en veldleeuwerik. Samensteller Robert Kwak van de vogelwerkgroep: “Het ei is weer gelegd. Het was opnieuw een beste klus. Niet alleen het samenstellen, maar zeker ook het veldwerk dat eraan vooraf ging. Ik schat dat de dertig leden die de gegevens verzameld hebben het afgelopen jaar samen zo’n vier tot vijf manjaren in het veld zijn geweest. Vrijwilligerswerk allemaal. Zou je het door een bureau laten uitvoeren, dan was je een half miljoen kwijt geweest aan salaris en onkosten”.
Door Ronald van Harxen
In het jaaroverzicht resultaten van bekende soorten als oehoe, ooievaar, grauwe klauwier, blauwe reiger, kraanvogel, ijsvogel, raaf en vele soorten meer. Voor het eerste broedde er een zwarte wouw in het werkgebied van de vogelwerkgroep, terwijl de rode wouw met drie tot vijf broedparen vaste grond onder de voeten begint te krijgen.
Verheugend was het relatief grote aantal nachtzwaluwen: drie in het Korenburgerveen, twee in het Wooldse veen en een in de Vennebulten. Ook de fraaie hop laat zich steeds vaker zien; in 2025 werden twee tot vier territoria vastgesteld.
Het gaat dus goed met de Winterswijkse vogels? Dat ligt toch iets genuanceerder. Robert: “Ontegenzeggelijk gaat het goed met de meeste bosvogels. De bossen worden elk jaar ouder en bieden aan steeds meer vogels onderdak en voedsel. Denk bijvoorbeeld aan de enorme toename (2025: 220 territoria) van de middelste bonte specht. Ook met de vogels van allerlei wateren gaat het goed. Niet alleen komen er steeds meer waterpartijen bij in de vorm van plasjes en poelen, maar veranderend beheer van de beken heeft zijn vruchten afgeworpen. Kuifeend, meerkoet en dodaars hebben daarvan geprofiteerd. IJsvogel en grote gele kwikstaart, kenmerkende soorten voor natuurlijke beken als de Willinkbeek en de Ratumsebeek doen het redelijk. Met soorten die profijt hebben van de vele kleine en grote natuurterreinen die de afgelopen jaren ontwikkeld zijn, gaat het goed. Denk aan de roodborsttapuit die vanuit de randzone van het Korenburgerveen zelfs weer in het boerenland is te vinden. Wie had dat kunnen denken twintig jaar geleden? Datzelfde geldt voor de grauwe klauwier. De toename van beide soorten laat zien dat natuurontwikkeling een positieve uitstraling op het boerenland kan hebben.”
Bladeren door het lijvige boekwerk merkt Robert op: “Roofvogels laten een genuanceerd beeld zien. Met soorten als buizerd en de torenvalk gaat het relatief goed, maar havik (en sperwer) nemen gestaag in aantal af”. De oorzaken zijn niet goed duidelijk. Robert: “Mogelijk heeft het te maken met dat er minder voedsel – vooral andere vogels – beschikbaar is, hoewel er nog steeds volop duiven (havik) en mezen (sperwer) zijn.”
Waar het beduidend minder goed mee gaat zijn de traditionele broedvogels van het boerenland. Robert: “Patrijs, geelgors, weidevogels als kievit en grutto en een soort als de graspieper die je vroeger overal tegenkwam, gaan nog steeds achteruit. In het moderne, hoog intensieve, boerenland is voor deze soorten weinig meer te halen. Dat geldt ook voor de wintermaanden. Dat baart me grote zorgen.”
Voor de zesde keer in vijfenveertig jaar is in 2024/2025 het Korenburgerveencomplex – het grootste van de vier Winterswijkse Natura 2000 gebieden – integraal geteld op broedvogels. Robert: “Een enorme klus die alleen dankzij de inzet van veel tellers geklaard kon worden die voor dag en dauw hun bed verlieten – start van de telling een uur voor zonsopgang – om uren achtereen door moeilijk toegankelijk terrein te ploeteren.” In totaal werden 103 vogelsoorten vastgesteld met samen 3.619 territoria.
Meest voorkomende soort: een onopvallend grijsbruin vogeltje, de fitis. Robert: “Deze soort laat mooi de ontwikkeling zien die het gebied in de afgelopen 45 jaar heeft doorgemaakt. De fitis is een soort van struweelachtige begroeiingen die zich in het begin van de jaren tachtig uitstekend thuis voelde in het langzaam met berken dichtgroeiende veen. We telden toen 764 territoria. Door herstelwerkzaamheden werd het veen natter en opener. Gevolg: de fitis kelderde naar 390. Soorten van veen en heide namen daarentegen juist spectaculair toe, bijvoorbeeld de blauwborst van nul naar zestig territoria en de sprinkhaanzanger van elf naar achtentwintig. En uiteraard de vestiging van de kraanvogel. Dit laat zien dat het beheer zijn vruchten afwerpt.” Dat geldt zeker ook voor de randzone rondom het veen. Broedden daar in 1981 42 soorten met 298 individuen, in 2025 bleek het aantal soorten verdubbeld (85) en het aantal individuen nam met 1.048 zelfs drieënhalf keer zoveel toe. “Tot begin 2000 stond de mais op veel plekken nog tot aan de rand van het veen en waren de weilanden saai en eenvormig. De gevarieerde herinrichting – weiland, hooiland, houtwallen en singels, graanakkers, afgeplagde terreinen, waterpartijen – bood tal van soorten nieuwe mogelijkheden. De roodborsttapuit is daarvan een sprekend voorbeeld”. “Dit laat zien dat er nog steeds volop kansen zijn, het is een kwestie van ze te pakken.” aldus Robert.
Het rapport staat vol met prachtige foto’s en is te verkrijgen door een mailtje te sturen naar info@vwgzoa.nl.










