
Mama
OpinieMama
Dertig is natuurlijk geen leeftijd om je moeder te verliezen. Maar daar houdt het universum geen rekening mee en ze ging gewoon dood.
Aankomende donderdag 18 juni 1998 zou ik op schoolkamp gaan met mijn achtentwintig lieve kindertjes van acht en negen, naar het Broederschapshuis in Schoorl, een paar kilometer van de school gelegen. Maar het ging erg slecht met mama. “Ga jij maar naar Groenlo,” zei de directeur. “Niemand is onmisbaar. Ik regel wel wat.”
Het ziekenhuis in Winterswijk rook als altijd lekker naar koffie met saucijzenbroodjes. Op afdeling C1 deed ik zachtjes de lichtblauwe deur open met de witte plastic klink. Daar lag mama. Mijn moeder. Bruinig gelaat, prachtige diepliggende donkere ogen, een rimpelloze huid die ze elke ochtend en elke avond insmeerde.
Op het stalen nachtkastje naast het pillendoosje stond mijn ansichtkaart met de klaprozen. “Ah fijn, je hebt mijn kaart gehad,” zei ik. “Kaart?” vroeg ze. “Ik heb geen post gehad hoor.”
Precies op dat moment verloor ik mijn moeder. Haar gezicht was nog steeds prachtig. Een lieve lach om haar mond. Maar haar blik was anders. Of ik één van de verpleegsters was.
Toen de ambulance haar thuis bracht in de Buitenschans was het prachtig weer. Papa, mijn zussen en ik hadden de piano in de garage gezet. Op die plek kon nu mama’s laatste bed staan. Daar kwam de gele auto. Even stokte mijn adem. ‘Horizontaal op je eigen oprit, het komt niet vaak voor’, dacht ik. ‘Wat zal ze de bomen nu mooi kunnen zien’. “Kijk mama, de acaciaboom”, zei ik door mijn tranen heen. “Mooi he?” Ze lachte heel lief.
De thuiszorgperiode brak aan. En elke ochtend en elke avond smeerde papa mama’s gezicht in.
Op donderdagmorgen 18 juni om kwart over vier werden we allemaal geroepen. Papa zat links van mama’s hoofdeinde, precies op de plek waar ze altijd piano had gespeeld. Mijn zussen aan de andere kant. Ik stond aan haar voeteneinde. Ik dacht: “Dadelijk hebben we allemaal honger”. Ik ging naar de keuken en smeerde beschuiten met jam.
Om kwart over vijf ging de merel fluiten en sliep mama in.
Na de beschuiten met jam kwam dokter Van der Holst. Hij kreeg ook een beschuit en we gingen de dag plannen. We zetten koffie, we vertelden het de buren, we gingen naar Dikkie Weenink en we mochten aan een tafeltje zitten achter een scherm waar ik nog nooit was geweest. Onze tante kocht kersen voor ons in een vers-winkel tegenover Bril-In, Esther van de uitvaartonderneming kwam, Pastor Bekke kwam en mijn zus vertelde dat ze iets had opgeschreven de avond ervoor. Wij lazen het en we vonden het prachtig. Ik zou het voorlezen in de kerk. We gingen naar Jambo. “Een lange grijze rok?” vroeg José. “Is dat wel jouw stijl?” Bij Martin Link haalden we de krant om de advertentie te bekijken. “Geef je vader deze weekenddrugs maar,” zei Martin. “En wens hem maar veel sterkte.” Met de krant, het doosje tuitsenorita’s, de grijze rok en de kersen gingen we naar Albert Heijn. “Mama heeft niks meer nodig nu…” zei mijn zus. We kwamen buiten en plotseling was het dertig graden.
Vandaag is het weer donderdag 18 juni en het is weer dertig graden. De verswinkel is weg, Dikkie Weenink is weg, Martin Link is weg. José van Jambo is met geen stok weg te krijgen gelukkig. En mama is al 28 jaar dood. Toen leefde ik in een roes. Je gaat door, zeggen ze dan. En zo is het ook. De merel blijft fluiten. Maar elk jaar ben ik verdrietiger. Elk jaar mis ik haar erger dan alle jaren daarvoor.










